|
||||||||||||
Vliegbindhok of mijmerplek?Door Useless
Maar in de loop der jaren bleek dat ik gek genoeg niet of nauwelijks gebruik maakte van mijn nieuwe ruimte. Het was te groot, te kaal en ongezellig. Eerder een opslagruimte dan een werkkamer. Daarbij komt dat ik nogal lui ben, wat tot gevolg had dat wanneer ik was wezen vissen, een optreden had gehad of was wezen oefenen met de band, ik niet de moeite nam om twee trappen op te gaan om alles weer op te bergen. En zo kon het gebeuren dat na verloop van tijd al mijn spullen weer door het hele huis rondzwierven en ik van lieverlee het overzicht kwijtraakte van wat ik eigenlijk wel niet bezat op hengel- en muziekgebied. De laatste jaren hadden we het er met enige regelmaat over dat het kamertje op de eerste verdieping eigenlijk een betere optie was. Het betrof het oude slaapkamertje van mijn dochter dat inmiddels door mijn bulterriër was geconfisqueerd. Er stond nog een bed in waar Useless regelmatig gebruik van maakte en verder was de kamer in de loop der tijd helemaal volgestouwd met werkelijk alles waar we op dat moment even geen plek voor hadden, maar waar het in ieder geval uit het zicht stond. Het geheel had veel weg van de uitdragerij uit een oude aflevering van “Stiefbeen & zoon” waarbij mijn vrouw de rol had van Piet Römer, de zoon die nog wel eens verstandig over kon komen, en ik de rol had van Rien van Nuenen; de eeuwig klagende oude vader die overal “beren op de weg zag” en altijd een schop onder zijn kont nodig had voordat hij ergens aan begon. Uiteindelijk had Piet het laatste woord, kreeg ik de broodnodige schop onder mijn kont en werd het besluit genomen: het kamertje zou worden leeggehaald, opgeknapt en dienst gaan doen als mijn nieuwe hobbyruimte. Oké, Useless stribbelde nog even tegen, maar met een stemming van 2 tegen 1 in mijn voordeel werd het pleit beslecht. En zo kwam de dag dat we begonnen met het leeghalen van mijn nieuwe hok. En je wilt niet weten wat er dan allemaal tevoorschijn komt. Van oude computers, televisies, kasten, een hoogtezon, trimapparatuur, de oude kaptafel van oma en weet ik veel wat niet meer. Als je er goed over nadacht was het eigenlijk een godswonder dat er zoveel spullen in zo’n klein kamertje konden. Malle Pietje in spé zal ik maar zeggen. Een paar spulletjes verhuisden naar zolder en de rest werd met twee keer rijden naar de vuilstortplaats getransporteerd. Hoezo weggooimaatschappij? Maar goed, ik had ook niet zoveel zin om al het spul te koop te zetten of er een nieuwe eigenaar voor te zoeken. Nee, nu waren we begonnen, dus nu moest de vaart er ook in gehouden worden. Er werd verf gekocht- ik mocht zelf de kleuren uitzoeken; waar vind je nog zo’n vrouw?- en binnen no time was het kamertje helemaal geverfd en schoongemaakt. Het verven deed ik samen met mijn vrouw en het zware sjouw- en tilwerk werd voornamelijk door mijn echtgenote en mijn zoon gedaan die ook even een handje kwam helpen. Sjouwen is sowieso niets voor een dikke ouwe Indo met rugklachten en zoals ik wel vaker pleeg te zeggen: “Dragen jullie de spullen, dan draag ik de verantwoordelijkheid wel weer.” Jullie begrijpen dat er weer een zware taak op mijn schouders rustte.
Opgeruimd staat netjes… (de stoel moest nog worden geleverd). Ik had in mijn hoofd zitten om er een oude secretaire in te zetten als bindtafel, maar kon niet vinden wat ik zocht. Uiteindelijk bleek de keuze meer voor de hand te liggen en dichterbij te zijn dan ik eigenlijk dacht. Op zolder hadden we namelijk nog een oude eiken commodekast staan. Deze kast hadden we ruim 30 jaar geleden ooit gekocht toen mijn vrouw in verwachting was van ons eerste kindje én, zoals dat altijd gaat, hadden we toen flink gespaard om allemaal mooie nieuwe spulletjes te kunnen kopen voor onze eerste aanstaande spruit. Uiteindelijk bleek dat mijn moeder zoveel bijdroeg in de kosten van haar eerste kleinkind dat we het ons konden veroorloven om een echte, maar ook veel te dure, eiken kast aan te schaffen die na gebruikt te zijn voor onze twee kinderen, roemloos op zolder belandde.
Met wat teakolie zag hij er weer gelikt uit. Na een opknapbeurt met wat teakolie zag de kast er weer prachtig uit en voldeed met het uitklapbare tafelblad eigenlijk precies aan hetgeen ik voor ogen had. Er werden via het internet een paar hengelrekjes besteld en bij de doe-het-zelf-winkel werd een kledingrek en een paar ladekastjes aangeschaft. En tijdens het opruimen van de zooi kwam ik zowaar twee oude Flyfair-posters uit de negentiger jaren tegen die mooi als decoratie dienst konden doen. Leen Bakker mocht de bureaustoel leveren. En als klap op de vuurpijl kon ik via Marktplaats twee prachtig ingelijste gelimiteerde zeefdrukken van Ad Swier -The perfect lie en Snatching the hatch- op de kop tikken. Netjes professioneel ingelijst met ontspiegeld glas en helemaal klaar om mijn nieuwe kamertje enige luister bij te zetten. Kortom, alle ingrediënten waren nu aanwezig om mijn nieuwe hok in te richten.
Snatching the hatch...
... en The perfect lie. En zo geschiedde. Alleen duurde het inrichten wat langer dan ik dacht, want toen alles in elkaar was gezet en waar nodig was opgehangen, werd het tijd om alle spullen die we vanuit het hele huis hadden verzameld een plekje te gaan geven. Ik begon met het uitzoeken van mijn hengels die overal en nergens vandaan waren gekomen. En bij een hoop van deze hengels moest ik weer terugdenken aan de avonturen die ik ermee beleefd had. Zo kwam ik mijn oude vlokhengeltje weer tegen. Een hele oude conolon glashengel van Mitchell die door ene meneer Marc Duborgel was ontworpen. Een prachtig stokje dat gemaakt was voor een werpgewicht van 2 tot 5 gram en waar ik vroeger veel mee in de polders was geweest om ruisvoorns te vangen. Dit vooral ingegeven door de verhalen van Kees Ketting en Jan Schreiner die ik altijd las in de toenmalige hengelsportbladen zoals “Vissport” en “Hengelsport”. Machtig mooie dagen heb ik toen beleefd, gewapend met dit stokje en “dobbertje met centraal gat” met een vooral niet te kleine haak zodat ie een vlok van toch zeker de grootte van een gulden kon vasthouden. En natuurlijk uitgerust met een Abu-molentje met half gesloten kap zoals “ome Kees” iedereen in zijn artikelen aanraadde. Of de glashengel die speciaal gebouwd was voor het belagen van de graskarper. Iets korter dan de toenmalige “normale” karperhengels met een zodanig werpvermogen dat je goed in staat was om een forse broodkorst fatsoenlijk een eind weg te zetten. Gebouwd door de winkel van Erik Bansberg in Den Haag van de toen oh zo beroemde fibatube-blank. Erik had die de winkel toen overgenomen van Cor van Beurden, ook al zo’n oude beroemde Nederlandse vliegvispionier. In gedachten zag ik Erik’s vrouw Anja weer in de winkel staan die heel geroutineerd ogen op de hengels aan het wikkelen was, terwijl ze onderwijl op haar gemakkie met mij en mijn broer aan het kletsen was. Mijn gedachten gingen ook weer terug naar de vliegbindlessen die we daar toen kregen van de helaas inmiddels overleden Frits Burger, die overigens ook mooie splitcanes maakte. Ach, Indo’s onder elkaar; altijd gezellig en het ging dan ook regelmatig over eten. Veel geleerd, maar vooral ook heel veel gelachen. Zelfs toen ik ooit een stuk vacht uit Erik’s Ierse setter knipte omdat ik rode dubbing nodig had en er volstrekt geen zin in had om dit ook weer aan te moeten schaffen. Ik kwam mijn eerste carbon vliegenhengeltje weer tegen, een tweedehandsje. Zoals ik het noemde: een bruis en wandelaar, oftewel een Bruce&Walker River Trout. Een ragfijn hengeltje waar ik altijd met zoveel plezier mee had gevist op de Duitse riviertjes en die nog steeds tot mijn favorieten behoort. Soms kom je ze op veilingen in Engeland nog tegen. Leuk om te weten dat er ondanks het enorme aanbod van nieuw materiaal toch ook nog vraag is naar dit soort mooie, maar vooral zachte stokjes. Echte vishengels en geen werpkanonnen zoals tegenwoordig vooral gemaakt wordt. Mijn eerste vaste hengel kwam weer boven water. Een Lerc van glasvezel dat toen net in opkomst was. De enige vaste hengel die ik nog heb gehouden om nostalgische redenen. Bijna 50 jaar oud en nog in goede conditie. Ik weet niet eens of het merk nog bestaat maar als het ding kon praten… Oude vliegendoosjes en mijn oude Abu Cardinal 33 en 44 werpmolens. Toen -en misschien nog wel- de Rolls Royce onder de werpmolens. Bijna 40 jaar oud met de stickertjes van de Haagse hengelsportzaak van Jan Haquebard er nog op en nog steeds in goede conditie. De winkel waar ik, voordat ik met vliegvissen begon, bijna wekelijks wel even te vinden was.
Oude Abu’s in combinatie met nieuwe baitcaster werpreels. En vooral niet te vergeten mijn Oostvoornehengel. Een hengel voor een 6/7-lijn die door Ton Temming voor mij gebouwd is. Speciaal laten maken voor mijn 25-jarig jubileum bij mijn toenmalige werkgever. Inderdaad, dezelfde die mij na 38 jaar niet meer nodig heeft. Een prachtig afgewerkte stok, 3-delig met een actie zoals ik het graag zie: zacht, maar stevig genoeg om een vis hard te kunnen drillen. Ik gebruik ‘m ook regelmatig in de sterk stromende delen van de Glomma waar hij ook goede diensten bewijst. Een Daiwa Whiskerfly #5. Op zich niets speciaals, ware het niet dat dit de vliegenhengel van mijn zoon is. Samen betaald omdat ik vond dat wanneer hij echt serieus van plan was om te leren vliegvissen, hij ook zelf iets moest investeren. Hij ging toen met z’n nieuwe stok op werples bij de ’s-Gravenhaagse. Hij was toen een jaar of tien en kon binnen de kortste keren een mooie lijn werpen. Schitterende nauwe loopjes gooide hij waar ik alleen maar van kon dromen. Maar zoals het zo vaak gaat bij die jonge gasten; er kwam een moment dat hij andere interesses kreeg. Het had geloof ik iets te maken met vrouwen en sex. In ieder geval iets hormonaals. Het eind van het liedje was dat hij er de brui aan gaf, maar hoewel hij inmiddels de dertig is gepasseerd, bewaar ik zijn hengeltje nog steeds, want je weet maar nooit… Misschien gaan we ooit toch weer samen op pad. Wellicht de ultieme droom van iedere vliegvissende vader. Zoals ik in de titel al aangaf: Vliegbindhok of mijmerplek. Voor mij inmiddels een mijmerplek waar ik ook zowaar met enige regelmaat weer eens vliegje bind en daar zelfs bijna weer plezier aan beleef. Mijn zeeforeldoos is bijvoorbeeld weer helemaal klaar voor gebruik. Maar vooral toch een mijmerplek.
Ook een deel van de gitaren heeft weer een eigen plekje gevonden. Vrijwel dagelijks zit ik enkele uren in mijn nieuwe kamertje en soms bind ik een vliegje of reorganiseer een vliegendoos, maar de meeste tijd gaat toch verloren met het in de handen nemen van een hengeltje of reeltje en dan kan ik met zoveel plezier terugdenken aan alles wat ik in de loop der jaren heb meegemaakt, het herbeleven en vooral opnieuw intens van genieten. Daar heb je helemaal geen foto’s of video’s voor nodig. Een teken van ouder worden? Vast, maar wel op een hele prettige manier. Ik koester mijn herinneringen. Ik ben een gelukkig mens! Useless - terug -
|
||||||||||||