|
||||||||||||
|
Noorwegen 2011 - deel 2door Useless Het bleek dat de Etna-camping werd gerund door het Nederlands echtpaar Hoekstra, dat een aantal jaren geleden deze vakantieverblijfplaats had gekocht om hier met hun kinderen een nieuw leven te beginnen. Bij aankomst werden we onthaald met een kop koffie, kletsten even met elkaar en vervolgens gingen wij de caravan neerzetten op een plekje dat natuurlijk aan het water was. De service was helemaal top, want de bestelde broodjes werden ‘s morgens bij je caravan afgeleverd. De volgende dag de boel een beetje verkend en al snel bleek dat de waterstand toch nog wel aan de hoge kant was. Overigens bijlange na nog niet zo hoog als in het voorjaar, want uit de verhalen van een vriendelijke Noorse mevrouw bleek dat het lager gelegen deel van de camping toen onder water had gestaan.
De camping Etna aan de gelijknamige rivier. Nee, het water stond nu ongeveer een meter hoger dan normaal, maar was inmiddels wel aan het zakken. Het te hoge water maakte het helaas vrijwel onmogelijk om vanaf de camping te vissen. Tenzij je dit deed zoals de meeste campinggasten; vissend vanaf een soort van zwemstrandje met een werphengel, met een bonk lood en een worm. Misschien ook leuk, maar niets voor mij. Toen eigenaar Jos mij vertelde dat hij ook wormen verkocht, trok ik blijkbaar een dusdanig vies gezicht dat hij terugdeinsde. En toen ik hem vertelde dat dit wat mij betreft gelijkstond aan een oneerbaar voorstel en dat ik nog eerder sex wilde met een eland, vooropgesteld dat het een vrouwtjeseland was, want anders zou het pervers zijn, lieten we het onderwerp rusten. Voor hem was het duidelijk dat met wormen vissen voor mij grensoverschrijdend zou zijn. Het zwemstrandje was de enige plek waar je bij het water kon komen, afgezien van een paadje dat speciaal door de eigenaars van de camping was aangelegd, maar ook daar was de rivier nog te diep om het water in te gaan. Voor de rest was de rivier een aantal kilometers vrijwel ontoegankelijk vanwege de zware begroeiing. Maar, tenzij je hield van een heel avontuurlijk leven en het leuk vond om staand te kunnen drinken, liet je het wel uit je hoofd om bij het zwemstrandje of vispaadje het water in te gaan. ’s Avonds vierde men met het midzomernachtfeest, de langste dag, waarvoor ook wij van harte uitgenodigd waren. Zoals dezelfde vriendelijke Noorse mevrouw uitlegde, was dit een feest voor iedereen en hoorden wij hier ook bij. Nu ben ik niet zo’n feestganger, dus vriendelijk hebben we de uitnodiging afgeslagen, maar wel een aardig teken van gastvrijheid dat we er ook bij betrokken werden. In de vooravond werden de barbecues klaargemaakt en om tien uur werd er een gigantisch vuur aangestoken door een enorme lading houten pallets in de fik te steken. De Noorse mevrouw vertelde dat een groot vreugdevuurtraditie was. Vervolgens had iemand zijn of haar gitaar bij zich en werd er gezongen. Toen het feest ontaarde in polonaise en het zingen van: “Bij ons staat op de keukendeur”, ben ik definitief afgehaakt en wist ik voor mezelf dat we de juiste beslissing hadden genomen om er niet bij te zijn, maar het rustig van een afstandje te bekijken. Geen waardeoordeel, maar gewoon niet mijn ding. Vijftienhonderd kilometer van huis tussen de Noren en dan polonaise lopen en Hollandse carnavalsliederen zingen, is voor mij het moment om er even niet bij te willen horen, mijn Europese bloed te verloochenen en de Aziatische kant de boventoon te laten voeren. Nee, voor mij geen carnaval; hooguit oude Indo-rock. De aanwezigen hadden het in ieder geval ruim naar hun zin en daar ging het om.
Traditioneel vuur tijdens het Midzomernachtfeest. De volgende dag heb ik op de gok toch maar een vergunning gekocht om het te gaan proberen. Omdat het stuk bij de camping zo ontoegankelijk was, ben ik maar stroomopwaarts gelopen om te bezien of er een plek was waar je zonder gevaar voor eigen leven het water in kon. Na een wandeling van een kilometer of drie - en dat is voor een krakkemikkige ouwe Indo met gewrichtsklachten een heel eind - kwam ik dan eindelijk bij een gedeelte waar de begroeiing wat minder was en waar je met wat geklim en geklauter bij het water kon komen. Wat heet geklauter; als een volleerd evenwichtskunstenaar, maar dan eentje met evenwichtsstoornis, bereikte ik het water, stapte erin om vervolgens meteen tot mijn middel in het water te staan en had de grootste moeite om in de sterke stroming overeind te blijven. “Leve de waadstok”, dacht ik nog. Het zou bijna verplicht moeten zijn. Uiteindelijk heb ik daar een tijdje gevist en kon ik een 15-tal aardige forellen aan de droge vlieg verschalken. Geen grote, zo rond de 25 cm en 1 uitschieter van tegen de 40, maar je kon er leuk sport beleven aan de wilde forelletjes. En gretig waren ze, want ze stegen vol overtuiging naar je vlieg. De echte grote jongens waren waarschijnlijk allang ten prooi gevallen aan de vaste campinggasten en uiteindelijk op een Noorse barbecue beland. Na enkele uurtjes hield ik het voor gezien en ondernam ik de lange wandeling terug naar de camping. Onderweg werd ik op een platgelopen spoor van hooguit anderhalve meter breed nog bijna door een terreinwagen en een crossmotor voor m’n flikker (waar zit ie eigenlijk?) gereden. De vooruitgang weet ons helaas altijd en overal te vinden.
Mooi, maar lastig toegankelijk. De dag erop heb ik niet meer gevist. De lange wandeling en het geklauter hielden me tegen. Als ik gespleten hoefjes, een puntsikje en voorouders uit de orde der klimgeiten had gehad, dan zou ik wellicht nog een poging wagen, maar gezien het feit dat dit niet zo was, hield ik het voor gezien. Het ging wat mij betreft weer te veel op werken lijken in plaats van ontspanning. Onze twee Noorse buurmannen deden het anders. Die stapten ’s morgens in de auto en reden zo’n 20 kilometer stroomopwaarts waar de rivier inderdaad veel toegankelijker was en het formaat forel ook beduidend forser was. Zij lieten ’s avonds wat foto’s zien van een paar forellen die er niet om logen. Ook kwamen ze die avond nog even een gebakken forel brengen. Hoezo Noren altijd een beetje stug en gereserveerd?! Na een paar overnachtingen besloten we om te gaan verkassen. Ik had inmiddels op zalm gevist, wat best een geslaagd experiment genoemd kon worden, op pollak gevist, wat door de weersomstandigheden op een compleet fiasco was uitgelopen, had inmiddels ook op forel kunnen vissen en dus was het nu de beurt aan de vlagzalm. Het werd verkassen naar de Glomma. Op dinsdag verkasten we net als de voorgaande jaren naar de camping van Edward en Diane in Koppang met de bedoeling om daar pogingen te doen om wat vlagzalm te verschalken. Het werd een week met wisselvallig weer en een aantal verrassingen. De avond voor vertrek had ik Edward nog gemaild met de vraag hoe de waterstand van de Glomma was. Dit, met in het achterhoofd de overstromingen in Rena en de weggespoelde wegen en bruggen in omgeving. Zijn antwoord verraste me, want volgens Edward was de waterstand op dit moment bijna ideaal, wat ik eigenlijk absoluut niet had verwacht en in deze tijd van het jaar persoonlijk ook nog nooit eerder had meegemaakt.
Op de parkeerplaats je ogen testen; Hans Anders, eat your hart out! Na een ritje van zo’n 250 kilometer waar nu eens echt helemaal niets mis ging, kwamen we in Koppang aan en na uiteraard een praatje met Edward te hebben gemaakt, vonden we een mooi plekje op de camping en begonnen we de voortent op te zetten. We waren nog geen 5 minuten bezig of ik hoorde iemand achter me zeggen: “Moet jij niet vissen?” Tot mijn stomme verbazing stond Peter S. achter me. Peter en ik hebben de afgelopen jaren een paar keer met elkaar gevist in het buitenland en hij had nu besloten dat het, na alle verhalen die hij van diverse kanten over Noorwegen had gehoord, tijd was om dit zelf ook eens te ondervinden. En dus was hij samen met zijn vrouw naar Noorwegen gegaan in hun nieuwe caravan. In het verleden had ik wel eens plagerig geroepen dat zijn vrouwelijke kant te goed ontwikkeld was en dat hij daarom soms iets te veel bagage meenam. Maar Peter had dit nu handig opgelost door gewoon een iets te grote caravan aan te schaffen, met een zo mogelijk nóg grotere voortent. Godallemachtig, wat een knoert. Het was er één van het soort waar de oude zigeunerkoning Koko Petalo met zijn hele familie in kon bivakkeren en waar dan nog ruimte was voor wat aangetrouwde achterneefjes en -nichtjes met aanhang. Uiteraard overdrijf ik een klein beetje, maar in vergelijking met ons kleine caravannetje is iedere standaard sleurhut in mijn ogen al een gevaarte. Maar eerlijk is eerlijk; het was een prachtig ding en van alle gemakken voorzien. Mijn opmerking dat ze nu toch wel de leeftijd voorbij waren om elkaar wellustig achterna te zitten, werd weggewuifd en gelijk hadden ze. Voor hen was het gewoon praktisch en zo was het ook. Op dinsdagavond heb ik meteen een weekvergunning gehaald en natuurlijk moest er die avond nog, samen met Peter, gevist worden. En kort daarna konden de eerste Glomma-vlagzalmen worden geland. Oké, geen grote, maar het begin was er. Vlak daarvoor waren we ook nog een Duitser tegengekomen die een grote metersnoek uit de Glomma - want ook die zitten er - aan de waterkant ging schoonmaken. Een prachtig getekende vis en wat mij betreft zonde dat ie uiteindelijk in de pan belandde en zijn kop, of eigenlijk haar kop, geprepareerd en vastgespijkerd op een plankje zat zodat de vanger aan iedereen kon laten zien wat hij wel had gevangen en vertellen wat een heroïsch gevecht hier aan vooraf was gegaan. Nee, dan toch maar liever een fotootje maken. Woensdag besloot ik om wederom het campingdeel te bevissen en ving diverse vlagzalmen aan een BWO. Wederom geen grote, maar toch overwegend van een formaat waar je op de Duitse riviertjes zoals de Kyll, heel blij mee zou zijn.
’s Avonds ging ik nog even voor het receptiegebouw mijn E-mails uitlezen - je vraagt je wel eens af hoe je dat vroeger deed toen al deze technologie nog niet bestond en je toch ook heel gelukkig was - en toen ik bij het picknicktafeltje aankwam zag ik dat er iemand hetzelfde idee had gehad als ik. Toen ik dichterbij kwam herkende ik het gezicht dat toebehoorde aan Erik v.d. Hoek. Ook wel bekend onder het pseudoniem van Erik de Noorman en die ik in het verleden wel eens plagerig in mijn stukjes Wicky de Viking noemde. Zijn vakantie was ook begonnen. Hij had een huis gehuurd in de buurt van Koppang en was even naar de camping gekomen om zijn mails te bekijken. Uiteraard ging het gesprek al snel over het vissen en zoals bekend is Erik de beroerdste niet om je deelgenoot te maken van een aantal stekken en gebruikte vliegen. Informatie die ik natuurlijk graag tot me nam. En passant liet hij me de hengel nog even zien die Ton Temming voor hem had gebouwd en waar op het prikbord zoveel commotie over was ontstaan. En eerlijk is eerlijk; toen ik de hengel in mijn handen had en er wat druk op gezet werd, begreep ik meteen waarom hij zo lyrisch over deze stok was. Stug genoeg om een vlieg goed weg te zetten en vooral met veel power en body om een grote vlagzalm in de volle stroom te kunnen drillen. Niet meteen een enorm werpkanon maar een echte “vishengel” zoals ik ze persoonlijk ook graag heb. Zonder nu reclame te willen maken denk ik dat ik goed begrijp wat hij bedoelde toen hij meldde dat Ton de ideale Glomma-hengel voor hem had gebouwd. Vlak voordat we afscheid namen kreeg ik nog twee vliegen van hem om te proberen. Qua uiterlijk twee eenvoudige vliegen met een dunne body, een ribbing, een bruine hackle over de gehele body en een behoorlijk forse spent-gebonden vleugel van antron. Beide vliegen waren knap groot, maar zoals ik al eens eerder heb vermeld kun je vrijwel alles wat je over vlagzalmvissen op de Duitse riviertjes hebt geleerd hier bijna allemaal wel weer vergeten. Hier golden andere wetten. Niks haakje 18 of 20, maar gewoon haak 10 en 12 of zelfs haak 8.
Grote vliegen deden het goed hoewel deze wat lastig was om na te maken. Donderdag ging ik samen met Peter naar een stek een aantal kilometers stroomafwaarts. Een mooie stek met eilandjes en grote aflopende grintbanken. Een mooie gelegenheid om Erik’s vliegen te water te laten en al snel diende de eerste gegadigde zich aan. Een mooie 40-plus vlagzalm had er blijkbaar een makkelijke hap in gezien en slobberde de vlieg van het wateroppervlak en na een korte dril kon de gulzigaard worden geland. Helaas brak bij het onthaken de haak af en had ik dus nog maar 1 ‘probeervlieg’ over. Aan dit exemplaar bleven die dag een behoorlijk aantal forse vlagzalmen hangen en aan het einde van de visdag was er van de vlieg ook niet veel meer over. De hackle was er inmiddels af en dit gold tevens voor de ribbing, maar ondanks dat bleven de vissen de vlieg gewoon nemen. Gek genoeg waren het allemaal vlagzalmen van formaat; zo tussen de 30 en de 40 centimeter en soms zelfs nog ietsje groter met als kers op de taart nog een mooie, forse wilde forel die het nodig had gevonden om zich bij de aanbeet met een acrobatische sprong in z’n geheel met vlieg en al even te tonen. Voor mij een prachtige visdag. Peter was die dag iets minder gelukkig, maar dat kon voor mij de pret niet drukken.
Mooie, grote Glomma-vlagzalm.
Prachtig getekende wilde forel. Vrijdag zeek het van de regen en werd er niet gevist. Eigenlijk best gek, want wanneer het een pure vistrip was geweest had ik waarschijnlijk, wat heet waarschijnlijk; nee, had ik op zeker gewoon mijn waadpak aangetrokken om te gaan vissen. Maar omdat het vakantie was koos ik er voor om gewoon lekker met een boek in de caravan te gaan hangen, samen met mijn vrouw wat boodschappen te gaan doen en ’s avonds languit bij de tv te hangen en samen te kijken hoe heldhaftige Amerikaanse detectives en rechercheurs allerlei ingewikkelde zaken in een paar uur tot een goed einde weten te brengen waar een normaal mens waarschijnlijk maanden, zo niet jaren, mee bezig is. Heerlijk stompzinnig vermaak waar je niet bij hoeft na te denken. Is soms dus ook best leuk. Zaterdag was het weer tijd om bij de grindbedden te gaan vissen en omdat de gekregen vlieg nu echt wel zijn beste tijd had gehad en ik zoals altijd te lui was om de blauwe Abel-vice tevoorschijn te halen en de vlieg na te binden, koos ik voor een enorme gele klinkhammer, die zijn werk naar behoren deed gezien het aantal forse vlagzalmen die zich in de vlieg hadden vergist. Ook Peter had vandaag een veel betere dag en ving nu ook zijn visjes. Ook zondag togen we wederom vol goede moed naar de inmiddels voor ons bekende stek, maar nu kon je zien dat vissen geen wetenschap is en dat de natuur gewoon doet wat zij wil: er was geen stijgende vis te bespeuren en uiteindelijk bond ik er noodgedwongen een nimf aan. Het resultaat was, in vergelijking tot de voorgaande dagen, een beetje teleurstellend. Het kostte veel moeite om een visje te verschalken en wanneer dit dan uiteindelijk lukte, was het formaat niet te vergelijken met de voorgaande dagen. Al met al had deze dag een hoog arbeidsgehalte en sloot ik de dag af met 1 vlagzalm die vermeldenswaardig was en een aantal kleine exemplaren. Achteraf gezien misschien maar goed ook, want je zou bijna gaan denken dat het alle dagen feest is en zo word je weer even met je neus op de feiten gedrukt en besef je dat niets vanzelfsprekend is. Goed voor je karakter en gewoon weer met beide benen op de grond.
Peter in actie. Maandag zou mijn laatste dag zijn en ik besloot deze dag een stukje stroomafwaarts van de camping te gaan vissen. In eerste instantie twijfelde ik nog even of ik wel zou gaan, maar uiteindelijk kroop het bloed toch waar het niet gaan kan en achteraf bleek het ook een goede keuze te zijn. Toen ik bij de rivier kwam zag ik overal kringen van azende vissen en het leek wel of er ergens een signaal was gegeven dat het vreetfestijn kon beginnen. Vrijwel iedere worp met mijn droge vlieg leverde een aanbeet of een misser op en na twee uurtjes vissen had ik er toch gauw zo’n 25 te pakken. Oké, misschien niet zo groot als op de andere stek, maar toch overwegend vissen waar je gewoon erg blij van werd. Na 2 uurtjes kwam mijn vrouw, samen met onze onvolprezen bulterriër, even bij mij kijken of ik er nog was of inmiddels was verzopen en of ik al wat had gevangen. Enthousiast deed ik mijn verhaal en terwijl we stonden te kletsen, kwam ook Peter ook nog even kijken. Terwijl we stonden te praten vielen er een paar druppels regen uit de lucht. Je kon het niet eens een bui noemen want je werd er nauwelijks nat van. Gek genoeg was dit voor de vlagzalm blijkbaar het sein om te stoppen met vreten, want het half uur daarna wist ik met moeite nog twee visjes te verleiden en was het helemaal uit met de pret en besloot ik voor mezelf dat het ook wel mooi was geweest en ging met een goed gevoel terug naar mijn caravan.
Nog één keertje vissen in de buurt van de camping, uiteindelijk een goede beslissing. ’s Avonds ging ik nog even naar de receptie om met - zoals ik het meestal noem – ‘mijn beftopje’ het technologisch wonder dat E-mail heet, te gaan bekijken. Bij het receptiegebouw zag ik Edward die met iemand stond te praten naast een klein bestelautootje. Het bleek ‘onze’ Patagonië-ganger en avonturier Gerlof te zijn die, na een paar dagen snoeken in het Zweedse Dalsland, in Koppang was beland. Hij had, zoals hij al op het prikbord had vermeld, kort geleden een bestelautootje gekocht waar hij letterlijk al zijn visbenodigdheden in kwijt kon. In dit autootje kon je dus zijn zodiac-bootje, buitenboordmotortje, tentje, fiets, bellyboot, hengels….enfin, alles wat je maar denkt nodig te kunnen hebben voor een vistripje, was hier te vinden. Alles? Nou, bijna alles. Bijvoorbeeld geen zouttabletten voor zijn zwemvest. Hij was in het water gevallen en wist nu in ieder geval wel zeker dat zijn automatische zwemvest goed functioneerde, maar kon nergens een winkel vinden waar hij nieuwe kon aanschaffen en had dus van armoede maar een nieuw zwemvest aangeschaft. Veiligheid voor alles; slimme gozer! En altijd leuk om even met iemand te praten die je van zijn internetverhalen kent, waardoor je altijd het idee hebt dat je ze toch een klein beetje kent. De volgende dag zat het er voor ons op. We braken de voortent af en vertrokken richting Nederland. Onderweg gebeurde er zowaar niets vermeldenswaardigs met uitzondering van een keer verkeerd rijden bij Götenborg, waardoor we met de caravan een kilometer of 40 moesten omrijden over een weg waar men bezig was met werkzaamheden en die daardoor zo smal was geworden dat je het idee had dat je weer door de smalle, bochtige wegen in de fjorden reed. En toen er een wolkenbreuk uitbrak waardoor je geen hand voor ogen meer zag en de weg zo vol met plassen lag dat het water ruim een meter boven je auto uitspatte, werd het pas echt spannend. Het had wel iets weg van een vernieuwde uitvoering van “Ter land, ter zee en in de lucht” en ieder moment verwachtte je het bijbehorende commentaar van André van Duin: “Gaat ie het halen? Ja, ja, nee, hij schiet ‘m neer.” Maar uiteraard niets van dit alles en na een minuut of 10 die gevoelsmatig wel een uur had geduurd, werd de regen minder en konden we gewoon onze weg vervolgen. Op het moment dat ik dit allemaal op mijn beftopje zet, zijn we net een dag thuis en lijkt het gek genoeg allemaal al weer tijden geleden. Resumerend kan ik wel stellen dat we een schitterde vakantie achter de rug hebben en eerlijk gezegd hadden we het nog wel een paar weken uitgehouden, ware het niet dat mijn vrouw weer moet werken en dat het gemis van onze eerste kleindochter toch ook wel behoorlijk begon te knagen. Nee… het is goed zo. We hebben over het algemeen goed weer gehad, ik heb goed gevangen en bijna mijn eerste zalm gevangen. Bijna, want ook al heb je ‘m gezien, het telt niet voordat je ‘m ook in je handen hebt gehad, zo is mijn stelling. Of zoals mijn broer dan altijd hard en een beetje pesterig roept als ik een vis vlak voor de landing verspeel: “Niet gevangen, niet gevangen!” en zo was het ook. Misschien moet ik er toch ook maar eens over denken om een keer mee te gaan naar Rusland waar je bijna een vangstgarantie krijgt. Maar aan de andere kant is de uitdaging om vroeg in het seizoen een zalm te haken in Noorwegen, waar de visbezetting niet te vergelijken is met bijvoorbeeld een Varzuga in Rusland, misschien wel veel groter en geeft de vangst misschien wel veel meer voldoening. Ik weet het niet, maar dat ik er van genoten heb is wel zeker en dat er weer een verslaafde zalmvisser bij is gekomen, is ook wel zeker. Wie weet wat de toekomst nog brengen zal op vliegvisgebied. Ik heb er aan mogen ruiken en ben er heel dichtbij geweest. Eigenlijk heeft deze eerste keer zalmvissen mijn verwachting overtroffen, maar misschien had Jelle wel gelijk toen hij mij met een sms’je verblijde waarin hij meldde: “Het is misschien maar goed dat je ‘m niet hebt gevangen, anders was je meteen een verwend nest geworden en weet je zo’n vangst niet meer op de juiste waarde in te schatten.” Misschien heeft hij wel gelijk en moest ik gewoon net als de meeste anderen eerst een keer een klein beetje op m’n bek gaan voordat ik er eentje in mijn handen mag houden. Maar ooit, ooit komt die zalm. Want dat er een vervolg komt, dat is wel zeker! Just Useless’ adventures in Norway. - terug -
|
||||||||||||