|
||||||||||||
|
door Theo Bakelaar “Zou die mooie krombenige zeeman er nog zijn?” “Zou die ingevette brillantine krulsnor nog ergens rondlopen?” “Zouden die bijtspijkers nog netjes op een rijtje onder die grote, grijze bos stro hangen?” “Zou die fijne Gabber nog leven???” Hij moet toch ergens in de 90 jaar zijn, als ie er nog is, als hij nog leeft? Het houdt me al een poosje bezig na het beschrijven van onze belevenissen, kan er maar slecht van slapen. Herlees ze vaak op de site van FlyFever en schiet iedere keer weer in de lach en heb iedere keer weer buikpijn van het lachen. Hij heeft toch iets heel speciaals betekend voor mij en nu ook voor jullie. Weet nu wat me te doen staat; morgen ga ik hem zoeken en uitvogelen of hij er nog is, zeker weten. Zijn laatste locatie was toch die mooie, hoge torenflat waar hij met z’n Mien samen woonde! Ja, ja, op de tiende etage volgens mij. En… als ie er nog is, dan zal hij zeker nog wel bezeten zijn van een vissie zoals vroeger. Ga ik een mooi vissie van een pondje of 4 meenemen van het laatste vistripje. Een dikke forel dus. Na een kwartiertje tuffen kom ik bij de flat aan waar hij vermoedelijk zou wonen… “Yes,” ik herken het, kijk binnen op de naamplaatjes van de bewoners. Whaaaaaaaauuuuuuw… Zijn naam staat nog steeds op het naambord, ze wonen er nog… Óf is het alleen zijn 10 jaar jongere vrouw die nog over is? Met spanning en onzekerheid loop ik naar de lift en druk het cijfertje 10 in. Zijn kamernummer is snel gevonden en de duim drukt op de deurbel. Niet veel later een gestommel aan de andere kant van dat blok hout dat in de deursponning hangt. Een vrouwenstem hoor ik mompelen, zoiets van: “Wie kan dat nou zijn?” Gelukkig… Mien is er nog, maar woont ze er nu alleen of zou er nog meer zitten achter die deur? De deur gaat langzaam open en een grote, stevige vrouw kijkt me met verbazing aan en zegt: “Mijn hemel, ben jij dat Theo?” Snel leg ik mijn vinger op mijn lippen en fluister: “Is die jongeman nog daar?” Een bevestigend knikje komt terug en ik mag doorlopen naar de woonkamer. Daar zat ie… Ome Jaap. Levend en wel. Uitgedost in een knap pakkie, de nog eeuwige, grote tros grijs touw met stevige krul onder die lekkere gok van hem. Knap brilletje op en de rij met bijtspijkers nog stevig opgelijnd, gelijk aan een grote rij asperges in de akker van de boer. Mooi man… “Hey Ome Jaap, mooie Penose, hoe gaat het man!?” Het hele spul dat onder zijn neus hangt viel open en hij blijft zo een poosje zitten kijken naar me. “Krijg nou wat, gabbertje van me, jij hier… Mien Mien mot je kijke, mijn gabbertje is hier,” brulde ome Jaap naar zijn schone. “Weet ik Jaap, ik heb net de deur opengedaan.” “Mot je zien, mijn gabbertje is terug. God o God, hoe kan dat nou,” brulde de oude man. Verbazing alom op dat fraai getekende gezicht. Blijdschap van een kind dat zijn eerste fiets krijgt, een kind dat 10 lollies uit de snoeppot mag pakken. Schitterend… schitterend. Dit doet me goed, dit doet me écht goed. Na de aangeboden koffie en boterhammetjes was er tijd om bij te babbelen over hoe het gaat en ging met Jaap. Naast zijn stoel stond een rollator waaruit bleek dat hij minder te been was. Dat kon hijzelf al snel beamen toen hij zag dat ik naar dat karretje keek. “Hey gabbertje man, ik ben nou bijna 94 jaar man en loop een beetje minder man, hoe oud ben jij nou man.” Vertelde hem dat de 60 al weer gepasseerd was en dat ik nog kwiek en fit ben. “Man, gabber van me, ja, het gaat allemaal een beetje moeilijker man, maar daar heb je dan ook zo’n rollemetator voor, kan ik toch een beetje vooruitkomen man.” Zuchtend keek hij naar dat gekke karretje van hem en schudde meewarig zijn nog steeds grijze haardos. “Stinkt jou hemd al naar de grond man?” Keek hem een beetje vragend aan en al snel legde hij uit dat zijn hemd misschien al een beetje naar de grond stonk en dat het misschien niet zolang meer duurde voordat men hem daaronder stopte. Mien vond dat nou allemaal geen praat van hem was en hij kreeg een uitbrander van de schone dame. “Jaap dat mot je niet over praten man, nou zeg, dat doe je toch niet!” Jaap lachte met een glimlach van oor tot oor. Hij vond het wel leuk. Ja, ja. Hij had al veel meegemaakt in dit leven, olijk keek hij me aan en vol trots vertelde hij dat hij veel gevaren had rond de wereld. “En weet je gabber, ik heb ook nog in het verre Oosten gezeten orang (jongen).” Hij begon onmiddellijk met wat Maleise woorden te smijten. “Let op man: Hij begon onbedaarlijk te lachen… Ja, ja, ja, dat leerde je daar man. Mooi man. Ik weet niet eens of het goed geschreven is, dat moeten jullie me maar vergeven. De pech voor Ome Jaap is dat ik het handboek van de Marinier goed gelezen had in de jaren 60, dat gevuld stond met Maleise woorden, dus ik wist precies wat hij bedoelde. Dat grapje kwam altijd van die oud-strijders daar. “Mooi vissie man, heb je dat zelf gevangen man? Ga ik zelf klaarmaken man, mooi in moten snijden en dan de pan in.” De visjes in zijn vissenkom zwommen ondertussen rustig rond, want hij moest die vissies toch wel blijven zien, dat was nou eenmaal zijn leven; vissies vangen en vissies eten. Dat was er nou niet meer bij. Nee, nee man als je moeilijker loopt dan gaat dat niet meer. Maar er uitgaan, dat viel nogal mee hoor.
“Af en toe komt er een zoon van een oude vriend om mij op te pikken met zijn Cadilakki voor een ritje langs de Maas man, kan ik nog een beetje kijken daar.” Dromerig keek hij voor zich alsof hij in die mooie leren stoel zat van die Caddilac en als een prins langs al dat mooie viswater reed. In de hoek achter zijn stoel zag ik een klein buikorgel staan en vroeg meteen of hij nog speelde op dat ding. “Nee, niet zoveel meer gabber, kan dat buikorgel niet opentrekken voor wat lucht, de krachten gaan ook een beetje weg man. Ja, ja, dat gaat zo met de tijd hè.” Weet nog dat we af en toe bij Ome Jaap op bezoek gingen om een potje te biljarten met hem daar in dat flatgebouw. Als hij dan wachten moest op zijn stootbeurt, dan ging dat gevaarte om zijn schouders en tokkelde hij wat op dat machine. Hij liep dan ook zeer regelmatig naar zijn werkkast in het zijgangetje toe om even te kijken of de verf al droog was van zijn geschilderde deurtje van vanmiddag. Soms bleef hij wat langer weg en dan keek ik even waar hij nou bleef, die oude rakker. En ja hoor, achter de deur van zijn zeer zwaar vergrendelde werkkast stond ie dan een paar flinke teugen te nemen van die grote fles rosé. Je kan het al raden… Na een uurtje biljarten en regelmatig de geverfde deur controleren waren de stoten met de keu al meer en meer zwabberend zodat we moesten stoppen voordat het tehuis geen laken meer op het biljart had liggen en het geluid uit die buikorgel was ook niet meer om aan te horen trouwens. Schitterend, wat een man. “Héé man, dat vissie kijkt wel erg raar zeg, heeft ie een brilletje nodig man?” kwam er onverwachts uit. “Dat komt Jaap omdat dat vissie dood is man.” Glimlachend keek hij je dan weer plagend aan. De tijd vloog daar in dat flatgebouw, moest weer gaan. Na een stevige knuffel ben ik met wat lood in de schoenen die lift weer ingestapt. Onderweg in de auto realiseerde ik me dat het eigenlijk toch wel heel bijzonder was allemaal. Ome Jaap leefde nog, Ome Jaap is én blijft een bijzonder mens. Hij heeft mooie dingen gegeven die niet te vervangen zijn. Hij blijft een speciaal plekje houden bij mij. Voor mij verdient hij gewoon een hele…, hele dikke knuffel. Cheers, Theo - terug -
|
||||||||||||